Allemaal vreemde mensen
Ik zit met een mevrouw in de tuin. Ze praat tegen me. Vraagt of Roel nog is langs geweest en of de zusters aardig zijn. Ik ben kortgeleden uit mijn stoel gevallen, zegt ze. Ze vraagt of ik er nog pijn van heb.
Ik kijk de mevrouw aan. Ze komt me vaag bekend voor, maar ik weet niet wie ze is. Ik begrijp haar niet. Wie is Roel? Uit welke stoel ben ik gevallen? Over welke zusters heeft ze het?
Ik zeg tegen de mevrouw dat ik terug naar huis wil. Naar mijn grote huis met de mooie tuin. De mevrouw staat op en ik wil ook opstaan. Maar ik word teruggeduwd in die nare rolstoel met dat vervelende tafeltje dat strak tegen me aan zit.
De mevrouw rijdt me een witte gang in. ‘Hier is mijn huis niet’, zeg ik hard. Maar ze zegt dat ik hier nu woon. Wat een rotmevrouw.
We gaan een lift in en als we uit de lift zijn, word ik naar een kamer met een grote tafel gereden. Er zitten een paar vrouwen die ik wel ken. Vrouwen die nooit wat zeggen.
‘Hebt u gezellig gewandeld met uw dochter?’, vraagt een jong meisje met een lichtblauwe jurk aan. ‘Ik heb geen dochter’, zeg ik. ‘En ik wil nu naar huis.’ De mevrouw lacht en aait over mijn hoofd. Ik houd er niet vanals vreemden dat doen. ‘Dag moeder. Tot de volgende keer’, zegt ze.